De Codes van het Gregoriaans

Blogs

Vertalen

Follow De Codes van het Gregoriaans on WordPress.com

Gelukkige Stad!

Het duurt nog een tijdje, maar in 2022 hoopt Utrecht te vieren dat de stad in 1120 haar stadsrechten kreeg, 900 jaar geleden. “Hoopt”, want wat een paar maanden geleden nog vanzelfsprekend was, krijgt nu Deo volente toegevoegd.

De Gregorius Fundatie werkt mee aan het project Gelukkige Stad! samen met Universiteit Utrecht en Gregoriaans Koor Utrecht. De Fundatie zal meewerken aan een congres, een boek en aan een reeks concerten op 3 en 4 juli 2022.

Hier kun je meer over dit project lezen.

In dit blog worden vorderingen van het project gemeld en meer bijzonderheden gegeven zodra die er zullen zijn.

Musemen: Onderzoek en Verklanking

Het onderzoek naar en de verklanking van musemen krijgen het komende jaar een boost door drie samenwerkingen die de Gregorius Fundatie heeft opgezet.

Amici Cantus Gregoriani

Amici Cantus Gregoriani (ACG) is het toonaangevende platform voor vrienden van het Gregoriaans in Nederland.

Utrecht Centre for Medieval Studies

Prof. Dr. Els Rose van het Utrecht Centre for Medieval Studies heeft Leo Lousberg gevraagd deel te nemen aan haar onderzoek Citizenship Discourses in the Early Middle Ages (400-1100). Dit NWO-VICI onderzoek wordt afgerond in 2022. De bijdrage van de Gregorius Fundatie zal drieledig zijn:
1. Bijdragen aan twee hoofdstukken in het boek dat zal verschijnen met de onderzoeksresultaten van dit project, te weten over de relatie tussen retorica en muziek in het gregoriaans zoals genoteerd in Utrechtse en verwante bronnen alsmede reflecties over andere uitvoeringspraktijken van het gregoriaans.
2. Een voordracht tijdens het te organiseren symposium ter afronding van het project in 2022.
3. De transcriptie van liturgische gezangen, zoals genoteerd in Utrechtse bronnen uit de 12e eeuw en de afstemming van de verklanking ervan met het Gregoriaans Koor Utrecht.

Gregoriaans Koor Utrecht

De samenwerking met het Gregoriaans Koor Utrecht naar aanleiding van de Dag van het Gregoriaans in 2019 is zo goed bevallen dat we samen een meerjarig groot project aandurven: de verklanking van officies en misgezangen zoals genoteerd in de 12e-eeuwse Utrechtse handschriften. Dat zijn achtereenvolgens de fragmenten van een antifonarium van de Paulusabdij (1100-1125, restanten van het oudst bekende genoteerde officie in de Lage Landen), U406, het antifonarium van de kapittelkerk Sint Marie (rond 1140) en het missaal van de Dom, handschrift Catharijneconvent ABM h62.

Deze vroege Utrechtse notaties maakten deel uit van een Europese traditie waarin retoriek zijn eigen signalen had in de melodie. De tekens daarvoor worden in de hedendaagse praktijk niet of nauwelijks verklankt. Het Gregoriaans Koor Utrecht is gegrepen door het klankbeeld dat door de herinterpretatie aan de oppervlakte komt en durft experimenten aan die verder gaan dan wat werd verklankt in 2019. Er wordt gewerkt aan de integrale uitvoering van het officie van Translatio van Martinus uit U406, (inclusief alle gesproken teksten van die viering) als onderdeel van de afsluiting van het NWO project Citizenship Discourses in 2022. De uitvoering van deze gezangen van Utrechts stadspatroon staat gepland voor de dagen in de Utrechtse kerkelijke kalender waarop het feest sinds de middeleeuwen wordt gevierd: 3 (namiddag en avond) en 4 juli, in een nog te bepalen Utrechtse kerk.

Presentaties en Koorprojecten

De doelstelling van de Stichting Gregorius Fundatie is het onderzoek naar en de uitvoering van de vroege vormen van het gregoriaans te bevorderen. De Gregorius Fundatie verzorgt presentaties voor koren of verenigingen, transcripties en/of de bespreking van interpretaties. Geïnteresseerden kunnen contact opnemen via info@gregoriusfundatie.org .

Utrecht Catharijneconvent ABM h62, 1r.

Cantus Ultimus: een doorbraak in Optical Neume Recognition

Vergelijkend onderzoek naar vroege versies van gregoriaanse gezangen heeft veel bijgedragen aan onze kennis over gezongen liturgie, al zijn er op basis van de laatste inzichten twijfels of die analyses methodologisch en epistemologisch voldoende zijn onderbouwd: binnenkort volgt een blog over het recent verschenen boek van Jean-François Goudesenne, Emergence du chant grégorien, Brepols 2018.

Digitale databases
Sinds 2012 is de Cantus Manuscript Database één van de toonaangevende databases voor het vergelijkende onderzoek van gregoriaanse gezangen. Deze database vormt de kern van het Cantus Index Network, samen met een groeiend aantal andere regionaal georiënteerde dan wel op bepaalde gebieden zoektechnisch geavanceerde databases. Aanvankelijk waren de zoekfuncties voornamelijk tekstgericht; sinds een paar jaar zijn daar voor een aantal bronnen ook melodische zoekfuncties bijgekomen en links met gedigitaliseerd materiaal.
Gedigitaliseerde teksten in hedendaags schrift kunnen al een tijd worden gelezen via optical character recognition (OCR). Geleidelijk komt er ook software beschikbaar die in staat is om gedigitaliseerde Middeleeuwse teksten te lezen en om te zetten in hedendaagse lettertekens. Maar om Middeleeuwse genoteerde gezangen digitaal te lezen is van een andere orde, voor de tekst en al helemaal voor de neumennotatie. Ik volg deze ontwikkelingen sinds ik voor het eerst in Middeleeuwse handschriften dook, in 2013. Toen al meldden onderzoekers tijdens congressen regelmatig hun vorderingen op het gebied van ONR (optical neume recognition), met een jaarlijks verschuivende termijn van vijf jaar voor een operatief systeem. Tot deze zomer.

Doorbraak
Tijdens een door Frans Wiering (UU, Department of Information and Computing Sciences, ICS) georganiseerde sessie in het kader van het Digital Humanities Congress in Utrecht meldde Ichiro Fujinaga, verbonden aan McGill University, Montréal en projectleider van het Cantus Ultimusproject een doorbraak: de verschuivende horizon is tot stand gebracht. Met nieuwe algoritmen is het mogelijk om ver uit elkaar geplaatste lettergrepen samen te trekken tot één woord én om dat woord te combineren met – nu eveneens digitaal leesbare – neumen. Een demo gepresenteerd door Fujinaga’s collega Martha Thomae deed me watertanden: ze liet zien dat het nu mogelijk is om bepaalde neumen in gedigitaliseerde bestanden te koppelen aan de tekst die erbij hoort; concreet betekent dit dat de musemetraditie in een bepaald manuscript veel efficiënter en sneller kan worden vastgesteld en dat lokale tradities met elkaar kunnen worden vergeleken.

Samenwerking tussen de Gregorius Fundatie en Cantus Ultimus
Nu betekent “het is mogelijk” nog niet dat er een voor iedereen bruikbaar systeem klaarligt: de software zal nog een handje moeten worden geholpen om nagenoeg foutloos tekst en neumen te herkennen. Via Mariken Teeuwen en Marnix van Berchum (KNAW Digital Humanities Lab, Amsterdam) is mijn musemenonderzoek geïntroduceerd bij Dr. Fujinaga en na een korte presentatie over musemen hebben we een deal gesloten: via de Gregorius Fundatie stel ik me beschikbaar voor correcties in de tekst en de muzieknotatie van het Utrechtse antifonarium U 406 en Fujinaga geeft voorrang aan het online zetten van de digitale editie van dit manuscript, dat ik ook heb gebruikt in mijn proefschrift. Als het schrift en de notatie van U406 kunnen worden gelezen in Cantus Ultimus, dan zal dat met enige (beperkte) aanpassingen ook gelden voor het de missalen Utrecht ABM h62 en Stavelot BL ADD MS 18031 en 18032 en het graduale Aken Ach G13 en een reeks fragmenten uit regio’s rond deze centra. Lokale musemetradities kunnen digitaal “in depth” worden onderzocht en onderling vergeleken. Dit is een geweldige sprong voorwaarts voor het onderzoek naar musemetradities.
Dit houdt tevens in dat we de voorbereidingen voor een crowdsourcing project stopzetten en ons gaan concentreren op Cantus Ultimus.

Audio!

Responsoria volgens de notatie van het twaalfde-eeuwse handschrift U 406 klinken weer……

De opnamen van het Gregoriaans Koor Utrecht onder leiding van Anthony Zielhorst zoals uitgevoerd tijdens de Dag van het Gregoriaans op 9 maart 2019 in de Pieterskerk te Utrecht en georganiseerd door Amici Cantus Gregoriani staan nu op de site onder het menu Audio.

Het koor en ik beschouwen dit als oefenmateriaal, niet als een artistiek voldragen product. Er is als dirigent en koor enig lef voor nodig om opnamemateriaal dat nog niet volmaakt is aan anderen te laten horen. Maar het is voor lezers van dit blog die dezelfde uitdaging willen aangaan als het Gregoriaans Koor Utrecht ook oefenmateriaal: de gezongen neerslag van een notatie die je kunt lezen in de bladzijde uit U406 die erbij is weergegeven.

Decoding Microtonal Gregorian Chant, Middelburg and Utrecht, March 6 & 9, 2019

Middelburg bachelor students in the humanities and experienced singers of Gregorian chant in Utrecht where my audiences this week. Ash-Wednesday for students in the Netherlands means hardship if they have to attend lectures like these: Mardi-gras in close-by Breda is famous…… Nevertheless, intelligent questions and no snoring (not bothersome, at least).

Today, in Utrecht I met with soulmates, singers listening and performing. Amici Cantus Gregoriani organized its annual venue in a splendid setting: the 12th century Pieterskerk.

The Utrecht Gregorian Choir conducted by Anthony Zielhorst sang three responsories in a transcription including microtones and quilisma’s as notated in the 12th-century Utrecht Antiphonary U406: Sicut Ovis, Ecce quomodo, Plange quasi virgo. I will post the recordings soon.

Enthusiastic reactions about this “reasoned experiment” and about my interpretation of the encoded rhetorical content of these musemes. “I always felt there was more in Gregorian chant than the traditional interpretations, this is what I have been waiting for” a visitor told me. “Touching, this interpretation of Ecce quomodo” said Marcel Zijlstra, conductor of the Schola Cantorum Amsterdam.

Looking forward to presentations for “Gregorian audiences” elsewhere!

Stacked Musemes as a Strong Potion Against Adoptionism: Quilisma, Non-Diatonic Semitone and a Microtone

In the Offertorium Iubilate deus omnis terra as notated in a 12th century fragment kept by the Staatsbibliothek Berlin, an almost orgiastic compilation of musemes highlights the word “ipse” in the phrase quoniam dominus ipse est deus.

If we accept the assumption that musemes ALWAYS have an indexical function in relating melody to verbal content of a chant, these stacked musemes tell us something. If this offertorium indeed was composed by Alcuin as some scholars assume, we may assume that they refer to the Spanish adoptionist heretics Elipandus of Toledo and Felix of Urgel.

Read my post

Gregorian Chant Before Guido: Sémiologie Grégorienne 3.0?

Titels hebben zo hun eigenaardigheden. Zeker presentaties vergen extra aandacht. Ze moeten zo kort mogelijk zijn, de lading dekken, de aandacht trekken en “catchy” zijn voor je doelgroep. Deze titel staat boven een presentatie die ik in juli zal geven tijdens het MEDREN congres in Basel. Draaischijf voor overwegend jonge musicologen en mediëvisten geïnteresseerd in de middeleeuwen en de renaissance.

Web 3.0

Toen het concept “2.0” werd gelanceerd, stond dat voor een doorbraak vanuit het digitale stenen tijdperk van de vierkante groene lettertjes naar nieuwe horizonten. “3.0” moet dus nog meer en nog verder zijn.

Nova Spivack defines Web 3.0 as connective intelligence; connecting data, concepts, applications and ultimately people”.

Mijn onderzoek schuurt op verschillende plekken aan tegen de definitie van Nova Spivack. Het brengt met nieuwe technologieën – een crowdsourcingplatform en gedigitaliseerde bronnen – mensen bij elkaar. De nieuwe connecties hebben niet alleen betrekking op mensen en media maar ook op de concepten die in de bestudering van het materiaal met elkaar worden verbonden: musemen. intertekstuele invalshoek brengt het twee concepten bij elkaar: de muzikale tekst en de verbale tekst van de middeleeuwse liturgie. Maar het sluit ook aan op een artikel van Franz-Karl Prassl in de laatste Beiträge zur Gregorianik, waarin hij stelt dat de traditie van de Sémiologie grégorienne in haar derde versnelling moet worden gezet om nog vooruit te komen.

“Es wird Zeit, eine dritte Periode der semiologischen Studien zu favorisieren und noch deutlicher sichtbar zu machen.” (BzG 65/66 (2018), 119)

De eerste periode van de Sémiologie grégorienne kreeg zijn start en stempel door Eugéne Cardine, die zijn levenswerk in 1983 overdroeg aan zijn leerlingen waaronder Godehard Joppich, die ik ook in mijn proefschrift citeer. Bij Cardine ging het om in kaart te brengen welke klanken en ritmen bij welke neumen hoorden. Joppich c.s. legden de eerste meer nadrukkelijke verbanden met retoriek in de muzikale uitdrukkingsvormen van het Gregoriaans. Dat mondde uit in o.a. de handboeken van Luigi Agustoni en Johannes Berchmans Göschl, Einführung in die Interpretation des Gregorianischen Chorals (Regensburg 1987-1992). Prassl sluit de tweede periode af met het verschijnen van de tweede band van het Graduale Novum in 2018.

Sémiologie grégorienne 3.0: yessss!

Wat Prassl nu, als redacteur van de Beiträge en als opvolger van Cardine aan het Pontifico Istituto di Musica Sacra (PIMS) in Rome voorstelt was tijdens het MEDRENcongres in Brussel (2015) nog vloeken in de kerk. (Good luck, Google translate….). In mijn presentatie over microtonale intervallen in het Gregoriaans stelde ik toen voor de grenzen van het onderzoek naar de reconstructie en interpretatie van oudere lagen van de Gregoriaanse traditie te verleggen naar vóór Guido d’ Arezzo’s theorieën, die op een rigide diatonische benadering zijn gebaseerd. Mijn toenmalige tutor en de aanvankelijk beoogde Franse opvolger van Cardine aan het PIMS floten me onverbiddelijk terug: “Those signs could mean anything” zei de eerste, “No theory nor proof of practice” zei de tweede. De discussie bloedde dood; op de tegenargumenten zoals gepresenteerd, werd niet ingegaan.

Prassl licht zijn standpunt toe voor onderzoek en voor de uitvoeringspraktijk. Voor het onderzoek is een paradigmaverschuiving nodig: we moeten ophouden

“gregorianischen Fragen durch die Brille eines Guido von Arezzo und seiner Theorien zu sehen. Das geht bis in notationstechnische Details, ob z. B. das Schreiben des Tones FIS als “Fehler”oder als “Notwendigkeit” betrachtet wird.” (BzG 65/66, 119.)

En geeft vervolgens de restitutie van Passer Invenit zoals in het Graduale Novum, Band I,82, waarin vijf maal Fis…..

Toen Guido zijn notatie op lijnen aan de man bracht (in mijn ogen was hij vooral een geslaagde marketeer van een bestaand product) en daarvoor een strikt diatonische benadering voorstelde, “bestonden de melodieën al 250 jaar” aldus Prassl. “Guido heeft dus Oude Muziek met zijn nieuwe categorieën getoetst”. De restitutie van gezangen van vóór Guido moet dus ook op basis van de benadering van die muziek vóór Guido. Voor die periode is “Es [ist] keine neue Entdeckung zu sagen, dass semiologische, modale und theologische Analysen eines Gesanges sich gegenseitig beleuchten und bedingen und ineinandergreifen müssen.” (BzG 65/66, 120.)

In mijn proefschrift wijs ik het gebruik van de term sémiologie grégorienne af. “Sémiologie” is een verouderde term, tegenwoordig wordt het hele onderzoeksveld met “semiotics” afgedekt. Daar verandert niets aan, maar wat Prassl te berde brengt – als leidend wetenschapper verbonden aan het PIMS en als mede-uitgever van de reeks Beiträge zur Gregorianik – heeft me aan het denken gezet. Semiologie 1, als product van Cardine, was een op Solesmes gebaseerde, strikt diatonische benadering van het Gregoriaans. Niet-diatonisch materiaal werd genegeerd of – laten we de mogelijkheden van de Duitse taal gebruiken – “diatonisiert“. Motto: hoe klinken neumen. Semiologie 2, voor mij vooral Godehard Joppich, leunde al zwaarder op een beredeneerde benadering van tekst-melodierelaties. Maar wel vanuit een diatonisch kader. Semiologie 3 lijkt ruimte te gaan bieden aan het materiaal dat o.a. in de negentiger jaren van de vorige eeuw al is aangedragen door Manuel Pedro Ferreira en Ike de Loos: niet-diatonische tonen. Ook de semiotiek die blijkt uit de analyse van formularische eigenschappen in de tractus van de tweede modus door Emma Hornby krijgt de ruimte, evenals de studie van Dirk van Betteray naar de retorische uitgangspunten die ten grondslag liggen aan het gebruik van liquescente noten. Om over Guido heen verder terug te kijken moeten we juist “entdiatonisieren”, daar waar het materiaal die informatie lijkt te kunnen prijsgeven. Mijn proefschrift past hier prima in; ik kan nu mijn ideeën verder uitwerken in een wetenschappelijke omgeving die daar positief over denkt. Ik ben om. Sémiologie grégorienne 3.0 is “mijn ding” zoals mijn kinderen dat tegenwoordig zouden zeggen.

Aan het werk.

Musemen: Notatieperikelen

De interpretatie van de muzieknotatie is een van de grootste obstakels geweest voor de herontdekking van musemen. De klanken en de plekken van de codes sluiten namelijk niet aan op de schema’s en formules waaraan musicologen en hedendaagse zangers gewend zijn. Wat dacht je van kwarttonen (‘Arabische’ muziek) bijvoorbeeld? Hieronder staan op twee plekken tekens die kwarttonen weergeven: het ‘dubbele haakje’ boven Ve-ni en het enkele haakje boven osten-de

Daar begint de eerste musicoloog al te mopperen. In zijn taal: “de eerste neume die je noemt, is een virga strata, dat is gewoon een verlenging van een toon, hier een fa.” De laatste neume van ostende kent hij wel (als hij zijn/haar vakliteratuur kent): de microtonale clivis die door Ike de Loos en Manuel Pedro Ferreira als microtonale tekens (voor kwarttonen dus) zijn beschreven in hun proefschriften (1996 en 1997). Maar hoe zit het dan met die virga strata? In mijn masterthese beschrijf ik hoe in fragmenten van een Utrechts antifonarium uit het eerste kwart van de 12e eeuw nog twee losse microtonale clives werden geschreven op plekken waar in latere handschriften een virga strata staat. Die werden later dus samengetrokken tot één neume, dat schreef handiger. Het derde teken staat boven ostende, dat is een quilisma, hier van re naar fa, beter bekend als van d naar f. Waarschijnlijk klonk dat als een soort glissando, maar daarover zijn de geleerden het nog niet eens.

Sophisticated Microtonal Horror and Four Devils in Qui Habitat

The second-mode tract Qui habitat is an overwhelmingly anxious chant. In verses 5 and 6, Evil appears in four metaphoric disguises. The auctor (my definition for the composer/writer/performer of medieval liturgical chant)  highlights these disguises by microtones on the one hand. On the other hand, he/she neutralises an ellipsis between the two consecutive verses by an ingeniously placed quilisma-microtone combination. Impressive.  

In this analysis, I concentrate on quartertones as intertextual links between the verbal and the musical text. In such context, quartertones have a function similar to words as paratext, which have their musical equivalent in parapitches: quartertones that signal rhetorical relevance in the verbal text. In the 500+ cases I analysed in seven manuscripts written between about 1000 and 1250 from Cluny in the south to Utrecht in the North all words highlighted by quartertones fit into the rhetorical schema of affect, logic and loci. Imagine a ringing bell at the moment a rhetorically important word was sung. 

You may find my analysis as presented at Leiden University on November 30, 2018 here. Have a look at the technical analysis from my thesis here.